Het FIBRA-project: Europees onderzoek naar vezelversterkt asfalt
Achter de Nederlandse proefvakken met vezelversterkt asfalt schuilt een Europees CEDR-onderzoeksproject met zeven partners uit zes landen. Wat het FIBRA-project inhield, wie meededen en welke richtlijnen het opleverde.
Het FIBRA-project (2018-2020) was een Europees onderzoeksproject naar vezelversterkt asfalt binnen het CEDR-programma van de Europese wegbeheerders. Vijf onderzoeksinstellingen en twee wegenbouwers uit zes landen ontwikkelden ontwerprichtlijnen, schaalden de productie op en legden proefvakken aan — waaronder op de Nederlandse A73 — en toonden aan dat vezels polymeergemodificeerd bitumen kostenneutraal kunnen vervangen.
Wat is het FIBRA-project?
FIBRA is het acroniem van "Fostering the implementation of fibre-reinforced asphalt mixtures by ensuring its safe, optimized and cost-efficient use" — vrij vertaald: het bevorderen van de toepassing van vezelversterkte asfaltmengsels door hun veilige, geoptimaliseerde en kosteneffectieve gebruik te waarborgen. Het project liep van 2018 tot 2020 en werd uitgevoerd binnen het transnationale onderzoeksprogramma van CEDR.
De aanleiding was een klassiek kennisgat. Uit laboratoriumonderzoek was al langer bekend dat vezels het scheur- en vermoeiingsgedrag van asfalt verbeteren — hoe dat mechanisme werkt, leest u in wat is vezelversterkt asfalt. Maar Europese wegbeheerders bleven terughoudend: er bestonden geen gedeelde karakteriseringsmethoden, geen ontwerprichtlijnen en nauwelijks gedocumenteerde praktijkervaring op zwaarbelaste wegen. Precies die drempels moest FIBRA wegnemen.
CEDR: onderzoek in opdracht van Europese wegbeheerders
CEDR staat voor Conférence Européenne des Directeurs des Routes, het samenwerkingsverband van Europese nationale wegbeheerders. Namens Nederland is Rijkswaterstaat bij CEDR aangesloten. Via een gezamenlijk onderzoeksprogramma financieren de wegbeheerders onderzoek naar vragen waar zij zelf mee zitten — van nieuwe materialen tot assetmanagement.
Dat opdrachtgeverschap is relevant voor de waarde van de uitkomsten. CEDR-onderzoek naar asfalt wordt niet gestuurd door een leverancier die zijn product wil verkopen, maar door de partijen die de wegen beheren, aanbesteden en decennialang moeten onderhouden. De vraagstelling van FIBRA was daardoor vanaf dag één praktijkgericht: onder welke voorwaarden kunnen wij vezelversterkt asfalt veilig voorschrijven op ons hoofdwegennet?
Het consortium: zeven partners uit zes landen
Het project stond onder leiding van de Universiteit van Cantabrië in Spanje en bundelde vijf onderzoeksinstellingen en twee industriële partners uit zes landen:
• Universiteit van Cantabrië (Spanje) — projectleiding en mengselonderzoek.
• Empa (Zwitserland) — federaal onderzoeksinstituut voor materiaalwetenschap en -technologie.
• Technische Universität Braunschweig (Duitsland) — onderzoek naar wegenbouwmaterialen.
• SINTEF (Noorwegen) — een van de grootste onafhankelijke onderzoeksorganisaties van Europa.
• BAM Infra (Nederland) — wegenbouwer, verantwoordelijk voor het Nederlandse proefvak op de A73.
• Veidekke Industri (Noorwegen) — wegenbouwer, verantwoordelijk voor de Noorse praktijkproeven.
De combinatie was bewust gekozen: universiteiten en instituten voor de laboratoriumkarakterisering en modellering, wegenbouwers voor de opschaling naar echte productie-installaties en echte wegvakken. Rijkswaterstaat was als CEDR-lid nauw betrokken bij het Nederlandse deel van het onderzoek.
Doelstellingen: van kennisgat naar richtlijn
Het doel van FIBRA was de toepassing van vezelversterkte asfaltmengsels te bevorderen door hun veiligheid, optimalisatie en kosteneffectiviteit te waarborgen. Dat vertaalde zich in vier concrete onderzoekslijnen:
• Karakterisering — gedeelde laboratoriummethoden om vezelversterkte mengsels te beoordelen op onder meer scheur- en vermoeiingsgedrag.
• Ontwerprichtlijnen — praktische richtlijnen voor het samenstellen van vezelversterkte asfaltmengsels én voor het structureel ontwerpen van wegverhardingen die deze mengsels bevatten.
• Opschaling — het productieproces van laboratoriumschaal naar reguliere asfaltcentrales brengen, zonder aanpassingen aan bestaande productie- en legapparatuur.
• Validatie en milieu — de aanleg van proefvakken onder echt verkeer, plus een beoordeling van de milieu-impact van de FIBRA-wegverhardingen via levenscyclusanalyse.
Die laatste lijn is met de komst van milieuprestatie-eisen in aanbestedingen alleen maar belangrijker geworden; hoe de MKI van asfalt tegenwoordig wordt berekend, leest u in ons artikel over de PCR Asfalt 2026.
Wat het onderzoek in het laboratorium omvatte
Voordat er ook maar één ton vezelversterkt asfalt de weg op ging, karakteriseerde het consortium verschillende vezeltypen — waaronder aramide-, polyacrylonitril- (PAN) en cellulosevezels — in uiteenlopende mengsels. Centraal stonden de eigenschappen die de levensduur van asfalt bepalen: weerstand tegen vermoeiing, scheurvorming en, bij open deklagen, rafeling.
Belangrijk detail voor de praktijk: de vezelmengsels werden ontworpen met standaard penetratiebitumen in plaats van het duurdere polymeergemodificeerd bitumen (PMB). De centrale onderzoeksvraag was of vezels de rol van polymeermodificatie kunnen overnemen — met als bijkomend voordeel dat standaard bitumen bij een lagere temperatuur verwerkt kan worden en het freesasfalt later beter recyclebaar is.
Van laboratorium naar proefvak
Het project bleef niet bij rapporten. Onderdeel van FIBRA was het opschalen van het productieproces en de aanleg van testvakken onder echt verkeer, waaronder het bekendste voorbeeld: het proefvak op de Nederlandse snelweg A73 bij Roermond, aangelegd in augustus 2020 met vier varianten tweelaags ZOAB.
De Nederlandse metingen — gelijkwaardige wegprestaties bij een 15-20 °C lagere productietemperatuur en een ruim 10% lagere MKI (cradle-to-gate) — behandelen we in een apart artikel: de resultaten van het A73-proefvak beschrijven de volledige opzet, alle meetwaarden en de langjarige monitoring door BAM en Rijkswaterstaat.
Waarom BAM in vezels geloofde
Voor een wegenbouwer is meedoen aan zo'n onderzoeksproject een strategische keuze. BAM zag duidelijke voordelen van vezelversterking ten opzichte van polymeergemodificeerd bitumen, met name op het gebied van levensduur, productietemperatuur en daarmee duurzaamheid.
Doorslaggevend was de business case: het vervangen van polymeergemodificeerd bitumen door vezelversterkt bitumen bleek in de Nederlandse situatie kostenneutraal bij een vergelijkbare levensduur. Wie voor hetzelfde geld een lagere productietemperatuur, een lagere milieu-impact en beter recyclebaar freesasfalt krijgt, heeft in aanbestedingen met EMVI- en MKI-criteria een voorsprong. Om die reden zag BAM het als een strategisch voordeel om de mogelijkheden van vezels verder te verkennen.
Wat het FIBRA-project heeft opgeleverd
De resultaten van FIBRA zijn vastgelegd in openbare deliverables, waaronder rapporten over de opschaling van het productieproces en de aanleg van de testvakken (2021). Samengevat leverde het project drie dingen op:
• Richtlijnen — praktische handvatten voor het ontwerpen en karakteriseren van vezelversterkte asfaltmengsels en voor het structureel ontwerp van verhardingen, zodat wegbeheerders vezels onderbouwd kunnen voorschrijven.
• Praktijkbewijs — proefvakken die aantonen dat vezelversterkt asfalt op zwaarbelaste wegen gelijkwaardig presteert aan PMB-mengsels, geproduceerd op bestaande installaties zonder aanpassingen.
• Milieuonderbouwing — levenscyclusanalyses die de lagere milieu-impact van de vezelroute kwantificeren, bruikbaar in aanbestedingen waarin de milieukostenindicator meeweegt.
Voor het thema levensduurverlenging van asfalt is vooral de combinatie van die drie waardevol: niet alleen de claim dat vezels vermoeiing en scheurvorming remmen, maar ook de meetmethoden en praktijkdata om die claim per project hard te maken. Meer onderzoek en praktijkcases vindt u in ons kennisdossier vezelversterkt asfalt.
Van Europees onderzoek naar uw project
De technologie die in FIBRA werd gevalideerd, is inmiddels gewoon leverbaar. Met AsphaltX, aramidevezels voor asfalt op basis van dezelfde Twaron-aramidetechnologie als op de A73, wordt vezelversterking vandaag toegepast op provinciale wegen, bedrijfsterreinen en bouwwegen. De dosering ligt indicatief rond de 0,05% — zo'n 500 gram per ton asfalt, afhankelijk van mengsel en toepassing.
Een Nederlands voorbeeld op provinciale schaal is de N337 tussen Zwolle en Deventer: over 8 kilometer leidde aramidevezelversterking daar tot 50% minder spoorvorming en 30% minder scheurvorming ten opzichte van het referentievak. Overweegt u vezelversterkt asfalt voor een deklaag of onderhoudsproject, dan denken wij vrijblijvend mee over mengselontwerp, dosering en de te verwachten MKI-winst via een offerte op maat.
Bronnen
• CEDR FIBRA-project (2018-2020), openbare deliverables, waaronder Deliverable 5.1 "Scaling up of the production process and implementation of test sections" en Deliverable 6.2 "Exploitation Strategy Plan", 2021.
• Rijkswaterstaat/BAM Infra Nederland, proefvak en demonstratietuin duurzaam asfalt A73.
Veelgestelde vragen
- Waar staat FIBRA voor?
- FIBRA is het acroniem van "Fostering the implementation of fibre-reinforced asphalt mixtures by ensuring its safe, optimized and cost-efficient use": het bevorderen van de toepassing van vezelversterkte asfaltmengsels door hun veilige, geoptimaliseerde en kosteneffectieve gebruik te waarborgen. Het project liep van 2018 tot 2020 binnen het transnationale onderzoeksprogramma van CEDR, het samenwerkingsverband van Europese wegbeheerders.
- Wat is CEDR en wat doet het voor asfaltonderzoek?
- CEDR (Conférence Européenne des Directeurs des Routes) is het samenwerkingsverband van Europese nationale wegbeheerders; Rijkswaterstaat vertegenwoordigt Nederland. Via een gezamenlijk onderzoeksprogramma financieren de wegbeheerders onderzoek naar vragen uit hun eigen beheerpraktijk. FIBRA was zo'n project: onderzoek naar vezelversterkt asfalt, aangestuurd door de partijen die wegen aanbesteden en onderhouden — niet door een leverancier.
- Welke partijen deden mee aan het FIBRA-project?
- Vijf onderzoeksinstellingen en twee wegenbouwers uit zes landen, onder leiding van de Universiteit van Cantabrië (Spanje). Verder onder meer Empa (Zwitserland), de Technische Universität Braunschweig (Duitsland), SINTEF en Veidekke Industri (Noorwegen) en BAM Infra (Nederland), die het proefvak op de A73 aanlegde. Rijkswaterstaat was als CEDR-lid bij het Nederlandse deel betrokken.
- Wat was het belangrijkste resultaat van het FIBRA-project?
- Dat vezels de rol van polymeergemodificeerd bitumen (PMB) kunnen overnemen. Op het A73-proefvak presteerden mengsels met aramide- en PAN-vezels op standaard bitumen gelijkwaardig aan de PMB-referentie, bij een 15-20 °C lagere productietemperatuur en een ruim 10% lagere MKI (cradle-to-gate) — en dat kostenneutraal. Daarnaast leverde het project ontwerp- en karakteriseringsrichtlijnen op voor wegbeheerders.
- Verlengt vezelversterkt asfalt de levensduur van een weg?
- Vezels verbeteren de weerstand tegen vermoeiing, scheurvorming en rafeling — de schademechanismen die de levensduur van asfalt bepalen. Op de N337 leidde aramidevezelversterking tot 50% minder spoorvorming en 30% minder scheurvorming dan het referentievak. Definitieve levensduurcijfers vergen langjarige monitoring; die loopt onder meer op het A73-proefvak, dat sinds 2020 door BAM en Rijkswaterstaat wordt gevolgd.
Genoemde producten

AsphaltX®
2000 filamenten per aramide-streng — 45% meer dan concurrenten. Laagste CO₂-voetafdruk, Europese productie.
- TypeVezelmengsel aramide (Twaron®) + polyolefine
- Lengte± 19 mm
- TreksterkteTwaron 3000 MPa · polyolefine 483 MPa
- Soortelijk gewichtTwaron 1,45 · polyolefine 0,91 g/cm³