Zwevende dekvloer: detail, dikte, isolatie en wapening

Toepassingen en doelgroepen31 juli 202621 min leestijdPortretfoto van Niels HilverinkGeschreven door Niels Hilverink
Opbouw van een zwevende dekvloer in aanbouw: isolatieplaten, folie en randstroken langs de wanden, klaar voor het storten

Zwevende dekvloer uitgelegd: het detail laag voor laag, dikte per situatie (65–80 mm), welke isolatie u kiest, droge varianten en waarom krimpwapening hier standaard is.

Een zwevende dekvloer is een afwerkvloer die volledig los ligt van de constructievloer en de wanden: hij rust op een met folie afgedekte isolatielaag en is via randstroken van alle opgaande delen gescheiden. Daardoor dempt hij contactgeluid en isoleert hij thermisch. Richtwaarden voor zandcement: minimaal 65–70 mm dik, met vloerverwarming 70–80 mm, en altijd krimpwapening met vezels en/of cementgaas.

Wat is een zwevende dekvloer en wanneer kiest u ervoor?

Van de drie dekvloertypen (hechtend, niet-hechtend op folie en zwevend) is de zwevende uitvoering de enige die nergens contact maakt met de draagconstructie. De dekvloer “zweeft” op een doorlopende laag isolatiemateriaal en wordt langs alle wanden, kolommen en leidingdoorvoeren door verende randstroken gescheiden van het opgaande werk. Akoestisch werkt die opbouw als een massa-veersysteem: de massa van de dekvloer rust op de veer van de isolatielaag. De algemene mengsels, droogtijden en prijzen van de zandcement dekvloer gelden ook hier; dit artikel behandelt wat de zwevende uitvoering anders maakt.

Er zijn twee redenen om zwevend te werken:

• Contactgeluid: loopgeluid en verschuivende stoelen worden niet meer rechtstreeks aan de constructievloer doorgegeven. Tussen woningen stelt de regelgeving een harde eis aan het gewogen contactgeluidniveau; een goed uitgevoerde zwevende dekvloer is de standaardoplossing om die te halen, vooral bij appartementen en verdiepingsvloeren.

• Thermische isolatie: op de begane grond scheidt de isolatielaag de warme dekvloer van de koude constructievloer of kruipruimte. Bij vloerverwarming is dat geen luxe maar noodzaak: zonder isolatie verwarmt u de fundering mee.

Zwevend kan nat of droog. Meestal gaat het om een gestorte dekvloer van zandcement of anhydriet, maar er bestaan ook droge systemen van gipsvezelelementen die los op de isolatie worden gelegd; die komen verderop aan bod bij de droge zwevende dekvloer.

Let daarbij op de begrippen. Een “zwevende vloer” in de zin van laminaat of parket dat los op een ondervloer ligt, is iets anders: dat is de vloerafwerking, en die komt bovenop de zwevende dekvloer. De term zwevende betonvloer wordt zowel gebruikt voor een zwevende dekvloer van zandcement of fijnbeton als voor zware, zwevend opgelegde betonplaten in bijvoorbeeld opnamestudio's.

De keerzijde: doordat de vloer los ligt op een laag die kan meeveren, is hij gevoeliger voor vervorming en scheurvorming dan een hechtende dekvloer. Dat bepaalt de dikte- en wapeningsregels verderop. Dit artikel hoort bij de pillar toepassingen en doelgroepen.

Voordelen en nadelen van een zwevende dekvloer

Wie twijfelt tussen zwevend en hechtend, zet de volgende punten naast elkaar. De voordelen:

• Minder contactgeluid: loopgeluid bereikt de onderburen veel minder, mits het detail rondom gesloten is.

• Thermische scheiding: de isolatie houdt de warmte in de vloer en weg van de constructievloer of kruipruimte.

• Standaardopbouw voor vloerverwarming: de leidingen liggen op de isolatie en worden in de dekvloer ingestort.

• Leidingen en oneffenheden verdwijnen: installatiewerk en kleine maatafwijkingen worden onder de isolatie of in een uitvullaag weggewerkt.

• Egale ondergrond: een vlakke basis voor tegels, pvc of parket.

De nadelen:

• Meer opbouwhoogte: nat minimaal 65 mm dekvloer, plus de dikte van de isolatie.

• Lange droogtijd bij natte uitvoering: bij 70 mm rekent u op circa 10 weken voordat dampdicht afgewerkt mag worden.

• Scheurgevoeliger: omdat de ondergrond meeveert, zijn zwevende dekvloeren gevoeliger voor scheuren en schotelen (opkrullende randen) dan een hechtende dekvloer.

• Uitvoeringsgevoelig: één geluidsbrug kan een groot deel van de akoestische winst tenietdoen.

• Duurder dan een hechtende dekvloer, door de isolatie, de grotere dikte en de randafwerking.

Vooral het scheurrisico stuurt de uitvoering. Daarom is krimpwapening bij een zwevende dekvloer het uitgangspunt; de regels daarvoor staan in de wapeningssectie verderop.

Zwevende of niet-zwevende dekvloer: het verschil

Het verschil zit in wat er onder de dekvloer ligt en waar hij contact maakt. De drie uitvoeringen op een rij:

• Hechtende dekvloer: via een hechtlaag vast op de draagvloer, dun uit te voeren (vanaf circa 25 à 30 mm), zonder isolatie en zonder akoestische ontkoppeling.

• Niet-hechtende dekvloer: op een scheidingsfolie, los van de draagvloer maar zonder isolatie; minimaal circa 50 mm dik.

• Zwevende dekvloer: op isolatie en folie, los van de draagvloer én van de wanden; minimaal 65 mm dik.

Kies zwevend zodra contactgeluid, thermische isolatie of vloerverwarming meespeelt. De mengsels en droogtijden van alle drie de typen vindt u in het artikel over de zandcement dekvloer.

Detail zwevende dekvloer: de opbouw laag voor laag

Het standaarddetail van een zwevende dekvloer bestaat van onder naar boven uit vijf lagen. De maten zijn gangbare richtwaarden (indicatief); volg altijd het voorschrift van het isolatie- of dekvloersysteem.

• Constructievloer: de dragende betonvloer (breedplaat, kanaalplaat of gestort), bezemschoon en zonder grove oneffenheden. Leidingwerk wordt bij voorkeur vooraf in een uitvullaag weggewerkt, zodat de isolatie vlak en volledig ondersteund ligt.

• Randstrook: een verende strook van schuimband of minerale wol, minimaal 5 à 8 mm dik, langs álle opgaande delen: wanden, kolommen, deurkozijnen en leidingdoorvoeren. De strook steekt boven de afgewerkte vloer uit en wordt pas na het afwerken afgesneden.

• Isolatielaag: thermisch (EPS, PIR, XPS) of akoestisch (verende platen of dekens), in één of twee lagen in verband gelegd, met verspringende naden en zonder kieren.

• Folie: een PE-folie van minimaal circa 0,2 mm over de isolatie, met circa 10 cm overlap, afgeplakte naden en langs de randstrook opgezet. De folie voorkomt dat aanmaakwater en specie tussen de isolatieplaten lopen en daar harde verbindingen vormen: geluidsbruggen.

• Dekvloer: de zandcement- of gietdekvloer zelf, minimaal 65–70 mm dik, met krimpwapening in de vorm van vezels en/of cementgaas.

Het detail valt of staat met de continuïteit van de scheiding. Eén plek waar specie de wand of constructievloer raakt (gescheurde folie, een vergeten randstrook, een doorvoer zonder manchet) vormt een geluidsbrug. Controleer het detail vóór het storten integraal; achteraf is zo'n brug alleen met hak- en breekwerk te herstellen.

Onderbreek de zwevende dekvloer bij voorkeur per ruimte, en in elk geval per woning, met een randstrook of voeg in de deuropening. Zo lopen geluid en beweging niet van het ene vloerveld naar het andere door.

Aansluitingen: wanden, deuropeningen en leidingdoorvoeren

In het vlak gaat het detail van een zwevende dekvloer zelden mis; de fouten ontstaan bij de aansluitingen:

• Wanden en kolommen: de randstrook loopt ononderbroken door, ook achter kozijnstijlen en rondom kolommen. Snijd hem pas na de vloerafwerking af.

• Deuropeningen: onderbreek de dekvloer onder de deur met een randstrook of dilatatievoeg, zeker bij vloerverwarming, waar elk vloerveld bij voorkeur een eigen verwarmingsgroep krijgt.

• Leidingdoorvoeren en standleidingen: zet om elke doorvoer een verende manchet en laat geen specie tegen de leiding komen.

• Trappen en schachten: ook hier een randstrook, nooit een starre verbinding tussen dekvloer en trap of schachtwand.

• Plinten en tegelwerk: monteer de plint los van de vloer of werk af met een elastische kitvoeg. Leg vloertegels niet star tegen de wand en houd tussen wand- en vloertegels een elastische voeg aan.

Dit zijn ook precies de plekken waar geluidsbruggen ontstaan; wat die kosten aan geluidsisolatie, leest u in de sectie over contactgeluid.

Zwevende dekvloer maken: het stappenplan

Zo wordt een natte zwevende dekvloer gemaakt, in de volgorde waarin de vloerenlegger werkt:

• 1. Ondergrond: maak de constructievloer bezemschoon en vlak; werk leidingen weg in een uitvullaag of egalisatie.

• 2. Randstroken: plaats ze langs alle opgaande delen, ook rond kolommen, kozijnen en doorvoeren.

• 3. Isolatie: leg de platen in verband, eventueel in twee lagen met verspringende naden, en vul kieren en leidingzones op maat in.

• 4. Folie: leg de folie met overlap over de isolatie, plak de naden af en zet hem tegen de randstrook op.

• 5. Vloerverwarming (indien van toepassing): monteer de noppen- of tackerplaat en de leidingen, en pers de leidingen af vóór het storten.

• 6. Storten: maak de specie aan met krimpvezel in de menger, stort, verdicht en rij af op de juiste dikte.

• 7. Nabehandelen: laat de vloer de eerste dagen niet uitdrogen en vermijd tocht. Beloopbaar is hij na 24 tot 48 uur.

• 8. Drogen en afwerken: reken op circa 1 week per centimeter tot 4 cm en 2 weken per centimeter daarboven, meet het restvocht met een CM-meting en werk pas daarna af.

Zwevende dekvloer dikte: hoe dik moet hij zijn?

Omdat de vloer niet op een vaste ondergrond steunt, moet hij zijn stijfheid uit de eigen doorsnede halen. Vandaar de ondergrens van 65 mm: dunner heeft een zandcementvloer te weinig eigen sterkte om belasting over de verende isolatielaag te spreiden.

In de Belgische praktijk wordt soms 50 mm als absolute ondergrens genoemd. Voor een zandcement dekvloer op isolatie houden wij 65 mm aan; dunner alleen met cementgaas mét vezels, of met een gietdekvloer volgens het voorschrift van de leverancier.

De dikte van de dragende constructievloer eronder is een andere vraag; die leest u in het artikel over de dikte van een betonvloer.

Reken de dikte door in de planning. Met de vuistregel van 1 week droogtijd per centimeter tot 4 cm en 2 weken per centimeter daarboven heeft een zwevende dekvloer van 65 mm circa 9 weken nodig voordat hij dampdicht afgewerkt mag worden, een vloer van 70 mm circa 10 weken en een vloer van 80 mm circa 12 weken. Het blijft een vuistregel: meet het restvocht altijd met een CM-meting.

De richtwaarden per situatie:

Dikte zwevende dekvloer per situatie (richtwaarden, indicatief)
SituatieRichtdikteWapening
Zwevende zandcement dekvloer, woningbouw, drukvaste isolatie (EPS, PIR)minimaal 65 mm, gangbaar 70 mmkrimpvezel kan volstaan
Op verende akoestische isolatieminimaal 65–70 mmkrimpvezel plus cementgaas
Met vloerverwarming70–80 mm totaal, minimaal 25–30 mm boven de leidingenkrimpvezel standaard, plus opstookprotocol
Dunner dan 65 mm (krappe opbouwhoogte)alleen in overleg met de vloerenleggercementgaas plus krimpvezel
Zwevende gietdekvloer (anhydriet)dunner mogelijk, volgens leveranciersvoorschriftvolgens systeem
Droge zwevende dekvloer (gipsvezelelementen)circa 20–45 mm opbouw, afhankelijk van elementgeen vezels, systeemvoorschrift
Zwaardere belasting (kantoor, lichte bedrijfsruimte)door constructeur of vloerenlegger bepaaldberekening

Droge zwevende dekvloer: Fermacell en andere systemen

Wie geen 65 mm opbouwhoogte of 10 weken droogtijd heeft, kan zwevend ook droog bouwen. Een droge zwevende dekvloer bestaat uit gipsvezelelementen (bekend van fabrikant Fermacell) van twee verlijmde platen van 10–12,5 mm, vaak met een cachering van vezelplaat of minerale wol aan de onderzijde. Zo'n vloer weegt een fractie van een natte dekvloer en is direct na verlijming beloopbaar: de gangbare keuze bij renovatie en houten verdiepingsvloeren.

De opbouwhoogte hangt af van het element en het systeem van de fabrikant. Indicatief: de elementen zelf circa 20–35 mm, varianten met een akoestische onderlaag van minerale wol of houtvezel circa 30–45 mm, en droge vloerverwarmingssystemen vanaf circa 27–35 mm. Oneffenheden in de ondergrond worden vooraf met egalisatiekorrels uitgevlakt.

Nat en droog naast elkaar:

• Opbouwhoogte: nat minimaal 65 mm plus isolatie; droog circa 20–45 mm plus eventuele egalisatie.

• Gewicht: nat veel zwaarder, wat massa voor geluidsisolatie oplevert maar een houten draagvloer zwaar belast; droog licht.

• Droogtijd: nat rekent u in weken (zie de diktesectie hierboven); droog is er geen droogtijd.

• Puntlasten: nat hoger belastbaar; droog beperkter, afhankelijk van het element.

• Vloerverwarming: nat liggen de leidingen volledig ingestort in veel massa; droog alleen met speciale systeemelementen.

Vezelwapening speelt bij de droge variant geen rol. Wie de massa en akoestiek van een natte vloer wil, kiest zandcement, en daar hoort krimpwapening bij: daarover gaat de rest van dit artikel.

Zwevende dekvloer isolatie: welke isolatie en hoeveel cm?

De isolatie van een zwevende dekvloer kiest u op het doel: thermisch (drukvast EPS, PIR of XPS, dikte volgens de gewenste Rc-waarde) of akoestisch (verende contactgeluidplaten van minerale wol of geëlastificeerd EPS, gangbaar 20–40 mm, of dunne schuimmatten van enkele millimeters). Bij verdiepingsvloeren in appartementen gaat het vaak om allebei. De keuze bepaalt zowel de prestatie als het wapeningsregime.

• EPS (geëxpandeerd polystyreen): het werkpaard voor begane-grondvloeren, betaalbaar, maatvast en in oplopende drukvaste kwaliteiten leverbaar. Kies voor dekvloeren altijd een drukvaste kwaliteit: hoe stijver de plaat, hoe minder de vloer kan vervormen.

• PIR: hogere isolatiewaarde per centimeter dan EPS, dus de keuze bij krappe opbouwhoogte; eveneens drukvast en nauwelijks indrukbaar.

• Akoestische platen of dekens: verende minerale wol of speciaal zachte EPS-kwaliteiten met een lage dynamische stijfheid. Juist het verende gedrag levert de contactgeluidreductie, maar maakt de ondergrond indrukbaar, en dan leunt de dekvloer zwaarder op zijn wapening.

• Combinatie: bij verdiepingsvloeren in appartementen ligt vaak een akoestische laag op een drukvaste thermische laag. De drukvaste plaat draagt, de verende laag ontkoppelt.

Bij akoestische lagen is de dynamische stijfheid (s', in MN/m³) het getal om op te letten. Hoe lager s', hoe beter de laag contactgeluid dempt, maar hoe verder hij onder belasting indrukt. Kies daarom een product dat uitdrukkelijk geschikt is voor dekvloeren en voor de verwachte belasting, en stem dikte en wapening van de dekvloer daarop af.

Hoeveel centimeter isolatie u nodig hebt, hangt af van het doel. Een akoestische laag is gangbaar 20–40 mm; de thermische laag rekent u uit op basis van de gewenste Rc-waarde en de beschikbare opbouwhoogte. Tel voor de totale opbouw: isolatie, plus minimaal 65–70 mm dekvloer, plus de vloerafwerking. Verwar dit niet met de isolatie van een zwevende vloer van laminaat of parket: daar gaat het om een ondervloer van enkele millimeters, onder een zwevende dekvloer om centimeters plaatisolatie.

Vuistregel voor de wapening: op een vaste, nauwelijks indrukbare isolatielaag (drukvast EPS, PIR) volstaat vezelwapening; op een verende akoestische laag of bij een dekvloer dunner dan 65 mm combineert u vezels met cementgaas. Leg de isolatie altijd in verband, vul randen en leidingzones op maat in en voorkom kieren: elke holte onder de folie is een plek waar de dekvloer onverwacht kan doorbuigen.

De gangbare materialen op een rij. De dB-waarden zijn indicatieve bandbreedtes (onder meer uit de Gids Duurzame Gebouwen van Leefmilieu Brussel); de werkelijke verbetering hangt af van het exacte product en de massa van de dekvloer.

Isolatie onder een zwevende dekvloer (indicatief)
IsolatieFunctieGangbare dikteContactgeluidverbeteringWapening dekvloer
Drukvast EPSthermischvolgens gewenste Rc-waardecirca 10–15 dBkrimpvezel kan volstaan
PIRthermisch, bij krappe opbouwhoogtevolgens gewenste Rc-waardebeperktkrimpvezel kan volstaan
XPSthermisch, vochtbestendigvolgens gewenste Rc-waardecirca 10–15 dBkrimpvezel kan volstaan
Minerale wol (contactgeluidplaat)akoestisch20–40 mmcirca 25–35 dBkrimpvezel plus cementgaas
Schuimmat of geluidsisolatiefolieakoestisch, dun3–8 mmcirca 15–25 dBkrimpvezel plus cementgaas
Combinatie drukvast plus akoestischthermisch en akoestischdrukvaste laag plus 20–40 mm verende laagvolgens de akoestische laagkrimpvezel plus cementgaas

Contactgeluid: hoeveel dB levert een zwevende dekvloer op?

Hoeveel contactgeluid een zwevende dekvloer tegenhoudt, hangt af van het massa-veersysteem: de massa van de dekvloer op de veer van de isolatielaag filtert de trillingen weg voordat ze de constructievloer bereiken. De verbetering loopt indicatief van circa 10 dB op harde, drukvaste platen tot 25 dB of meer op verende minerale wol, afhankelijk van de isolatie en de massa van de dekvloer (zie de isolatietabel hierboven). Dat is het verschil tussen buren die elke voetstap horen en buren die weinig merken.

Voor nieuwbouw geldt tussen woningen een gewogen contactgeluidniveau (LnT,A) van ten hoogste 54 dB, de wettelijke eis uit het Besluit bouwwerken leefomgeving. Op een betonnen verdiepingsvloer is een zwevende dekvloer de gangbare manier om die eis te halen.

De praktijkfouten zitten zelden in het systeem en vrijwel altijd in de uitvoering. Bij zwevende dekvloeren die akoestisch tegenvallen, gaat het meestal om:

• Randstroken die te vroeg zijn afgesneden, waarna plinten of tegelwerk de vloer alsnog aan de wand koppelen. Laat de strook staan tot ná de vloerafwerking en kit de plint niet star af.

• Speciebruggen door gescheurde of slecht overlappende folie.

• Leidingdoorvoeren die zonder verende manchet strak in de dekvloer zijn gestort.

• Een dekvloer die doorloopt tussen twee woningen of onder een woningscheidende wand door, waardoor het geluid via de vloer flankerend naar de buren gaat.

• Zichtbare scheuren die tot op de isolatie doorlopen; via het scheurvlak en aangrenzend puin kunnen lokaal contactpunten ontstaan. Ook daarom is scheurbeheersing bij zwevende vloeren meer dan cosmetica.

Zwevende dekvloer met vloerverwarming

Vloerverwarming ligt vrijwel altijd in een zwevende opbouw: de leidingen worden op de isolatie (of op noppenplaten daarbovenop) gemonteerd en ingestort in de dekvloer. Dat stapelt twee spanningsbronnen: de vloer ligt op een verende laag én maakt bij elke stookcyclus een thermische beweging door van circa 0,010–0,012 mm per meter per graad. Op een vloerveld van 8 meter en 20 °C opwarming is dat al snel 1,6 tot 2 mm. Vezelwapening is hier dan ook de standaard, en na het drogen hoort een stapsgewijs opstookprotocol.

Houd 70–80 mm totale dikte aan met minimaal 25–30 mm dekking boven de leidingen, en let extra op kruisende leidingen: daar is lokaal minder dekking en dus een grotere scheurkans. De volledige uitwerking (diktes per vloertype, de afweging net versus vezels bij verwarmde vloeren en het opstookprotocol in zes stappen) staat in vloerverwarming en de dekvloer.

Wapening: waarom juist de zwevende dekvloer vezels nodig heeft

Elke cementgebonden dekvloer krimpt tijdens het drogen, maar de zwevende dekvloer heeft drie handicaps tegelijk. Hij ligt op een laag die kan meeveren, waardoor belasting buigspanning oplevert die een gesteunde vloer niet kent. Hij ligt op een niet-zuigende folie, waardoor het aanmaakwater vrijwel uitsluitend via het oppervlak verdampt: het klassieke recept voor vroege uitdrogingsscheuren, zie plastische krimpscheuren voorkomen. En scheuren bedreigen hier via geluidsbruggen ook de akoestische prestatie waarvoor de vloer juist zwevend is uitgevoerd.

Krimpwapening is bij zwevende dekvloeren daarom geen optie maar uitgangspunt. De praktijkregels, consistent met de algemene dekvloerrichtlijnen:

• Zwevende dekvloer van 65–70 mm op vaste, nauwelijks indrukbare isolatie (drukvast EPS, PIR): vezelwapening alleen kan volstaan; de wapening hoeft enkel de krimp te beheersen.

• Zwevende dekvloer dunner dan 65 mm, of op een verende akoestische laag: combineer cementgaas mét vezels. Het net vangt de vervorming van de isolatie op, de vezels beheersen de scheurvorming door het hele volume.

• Met vloerverwarming: vezels zijn standaard, vanwege de thermische cycli bovenop de krimp.

Vezels hebben op de verende ondergrond een streepje voor op een net alléén: cementgaas werkt alleen als het op de juiste hoogte in de doorsnede ligt, en juist op een indrukbare laag zakt een net gemakkelijk weg naar de onderzijde. Vezels zitten per definitie overal: een gefibrilleerde PP-vezel bij dekvloeren op isolatie zoals Profib bevat circa 100.000 vezels per kilogram, zodat er bij 1 kg/m³ zo'n 100.000 vezels door elke kubieke meter specie verdeeld zitten, ook in de zone waar het net niet ligt. De bredere afweging tussen vezels of wapeningsnet, in tijd en kosten, leest u in een apart artikel. Let wel: krimpwapening is geen constructieve wapening; draagt de vloer constructief bij, dan hoort daar een berekening van de constructeur bij.

Welke vezel en welke dosering?

Voor zwevende zandcement dekvloeren zijn twee polypropyleen microvezels relevant:

• Profib: gefibrilleerde PP-tapevezel van 12 mm (andere snijlengtes op aanvraag), dé krimpvezel voor zwevende dekvloeren. De vertakte structuur verankert zich mechanisch in de aardvochtige specie. Dosering 0,6–1,0 kg/m³; een doos van 10 kg is bij 1,0 kg/m³ goed voor circa 10 m³ specie.

• Promicro: monofilament PP-microvezel (12 mm, vezelklasse 1a volgens EN 14889-2), bij 0,6–1,0 kg/m³ de keuze wanneer naast krimpbeheersing ook een fijnere oppervlaktekwaliteit telt, bijvoorbeeld onder dunne afwerkvloeren.

De vezels gaan op de bouwplaats of bij de pomp rechtstreeks de menger in. Per m² zijn de vezelkosten klein ten opzichte van de totale vloerprijs; actuele prijzen staan op de productpagina's, en indicatieve m²-prijzen voor het storten vindt u in het artikel over de zandcement dekvloer. Hoe u de dosering per toepassing kiest, leest u in de doseringsrichtlijnen voor microvezels.

Chape isolante en zwevende chape: de Belgische praktijk

In Vlaanderen heet de zwevende dekvloer zwevende chape, en rond de isolatie bestaat daar een eigen begrippenpaar. Een chape isolante (isolatiechape) is een uitvullaag van cement met polystyreenparels — “chape isolante billes polystyrène” — die leidingen wegwerkt en tegelijk isoleert; daarbovenop komt de eigenlijke afwerkchape. Isolatie chape slaat op de plaatisolatie (EPS, PIR of akoestische platen) onder de chape, en randisolatie chape is simpelweg de randstrook. Technisch gelden dezelfde regels als hierboven: minimaal 65–70 mm afwerkchape, folie over de isolatie, randstroken tot boven de afwerking en vezels in de chape — Belgische chapisten werken al standaard met dekvloervezels, en Dutch Fiber Trading levert dezelfde vezels aan Nederlandse én Belgische vloerenleggers.

Van detail naar bestelling

Een goede zwevende dekvloer komt neer op vier controleerbare beslissingen: een gesloten detail (randstroken, folie, manchetten), de juiste dikte (65–70 mm, met vloerverwarming 70–80 mm), een isolatielaag die past bij het doel én bij het wapeningsregime, en vezels in de specie — onder de 65 mm of op verende isolatie aangevuld met cementgaas. Twijfelt u tussen Profib en Promicro of wilt u weten hoeveel dozen uw project vraagt, dan rekent de keuzehulp het in een paar stappen voor. Of stuur uw vloeropbouw — oppervlak, dikte, isolatietype en afwerking — mee met een offerteaanvraag; u ontvangt binnen twee werkdagen een advies met dosering per m³.

Veelgestelde vragen

Wat is een zwevende dekvloer?
Een zwevende dekvloer is een afwerkvloer die volledig los ligt van de constructievloer en de wanden: hij rust op een isolatielaag en is via randstroken van alle opgaande delen gescheiden. Daardoor isoleert de vloer thermisch en dempt hij contactgeluid. De opbouw: constructievloer, randstrook, isolatie, folie en daarop de zandcement dekvloer of gietdekvloer van minimaal 65–70 mm. Hij kan nat worden uitgevoerd (zandcement of anhydriet) of droog, met gipsvezelelementen.
Wat is het verschil tussen een zwevende en een niet-zwevende dekvloer?
Een hechtende dekvloer ligt via een hechtlaag vast op de draagvloer en kan vanaf circa 25 à 30 mm. Een niet-hechtende dekvloer ligt op folie, los van de draagvloer maar zonder isolatie, en is minimaal circa 50 mm dik. Een zwevende dekvloer ligt op isolatie en folie, los van de draagvloer én de wanden, en is minimaal 65 mm dik. Alleen de zwevende uitvoering dempt contactgeluid en isoleert thermisch.
Hoe dik moet een zwevende dekvloer zijn?
Houd voor een zwevende zandcement dekvloer minimaal 65 mm aan, gangbaar is 70 mm. Met vloerverwarming wordt dat 70–80 mm totaal, met minimaal 25–30 mm dekking boven de leidingen. Dunner dan 65 mm kan alleen met cementgaas in combinatie met vezels, omdat de vloer dan te weinig eigen stijfheid heeft op de verende isolatielaag. Een gietdekvloer mag dunner volgens het leveranciersvoorschrift; een droge zwevende dekvloer van gipsvezelelementen bouwt circa 20–45 mm op, afhankelijk van het element.
Welke isolatie onder een zwevende dekvloer?
Voor thermische isolatie op de begane grond: drukvast EPS, PIR (hogere isolatiewaarde per centimeter bij krappe opbouwhoogte) of XPS. Voor contactgeluid op verdiepingsvloeren: verende akoestische platen van minerale wol of andere verende lagen, eventueel op een drukvaste onderlaag. De keuze stuurt de wapening: op nauwelijks indrukbare platen volstaan vezels, op verende lagen combineert u vezels met cementgaas.
Hoeveel cm isolatie onder een zwevende dekvloer?
Een akoestische laag is gangbaar 20–40 mm; dunne schuimmatten zijn 3–8 mm. De dikte van de thermische isolatie volgt uit de gewenste Rc-waarde en de beschikbare opbouwhoogte, en komt met drukvast EPS of PIR al snel op meerdere centimeters. Reken voor de totale opbouw met de isolatie, plus minimaal 65–70 mm dekvloer, plus de vloerafwerking.
Wat is een droge zwevende dekvloer?
Een droge zwevende dekvloer bestaat uit gipsvezelelementen (bekend van Fermacell) of vergelijkbare platen die los op isolatie of egalisatiekorrels worden gelegd. De opbouw is circa 20–45 mm, afhankelijk van het element, er is geen droogtijd en de vloer is licht. Daarmee is hij geschikt voor renovatie en houten verdiepingsvloeren. De puntlasten zijn beperkter en voor vloerverwarming zijn speciale systeemelementen nodig.
Hoeveel scheelt een zwevende dekvloer in contactgeluid?
Indicatief circa 10 dB op harde, drukvaste platen tot 25 dB of meer op verende minerale wol, afhankelijk van de isolatie en de massa van de dekvloer. In Nederland geldt voor nieuwbouw tussen woningen een gewogen contactgeluidniveau (LnT,A) van ten hoogste 54 dB (Besluit bouwwerken leefomgeving), en een zwevende dekvloer is de gangbare manier om dat te halen. Voorwaarde is dat de vloer nergens contact maakt: randstroken tot boven de afwerking, folie zonder speciebruggen en verende manchetten om doorvoeren. Eén geluidsbrug kan de verbetering grotendeels tenietdoen.
Wat zijn de nadelen van een zwevende dekvloer?
Een zwevende dekvloer vraagt meer opbouwhoogte, heeft bij natte uitvoering een lange droogtijd en is duurder dan een hechtende dekvloer. Door de meeverende ondergrond is hij gevoeliger voor scheuren en schotelen, en akoestisch is hij uitvoeringsgevoelig: één geluidsbrug kost veel van de winst. Het scheurrisico beheerst u met krimpvezel in de specie, op verende isolatie aangevuld met cementgaas.
Heeft een zwevende dekvloer altijd wapening nodig?
Bij een zwevende zandcement (cementgebonden) dekvloer: ja. Krimpwapening is daar het uitgangspunt, want de vloer ligt op een verende, niet-zuigende ondergrond en scheurt daardoor sneller dan een hechtende dekvloer. Op vaste, nauwelijks indrukbare isolatie volstaat een dekvloervezel zoals Profib bij 0,6–1,0 kg/m³; dunner dan 65 mm of op verende akoestische isolatie combineert u vezels met cementgaas. Constructief meedragende vloeren vragen altijd een berekening. Voor anhydriet-gietdekvloeren en droge gipsvezelelementen volgt u het systeemvoorschrift.
Wat is een chape isolante?
Een chape isolante is in België een isolerende uitvullaag van cement gemengd met polystyreenparels, die leidingen wegwerkt en tegelijk thermisch isoleert. Daarbovenop komt de eigenlijke afwerkchape van minimaal 65–70 mm. Verwar de term niet met “isolatie chape” (plaatisolatie onder de chape) of “randisolatie” (de randstrook); de zwevende chape zelf volgt dezelfde regels als de Nederlandse zwevende dekvloer, inclusief vezels tegen scheurvorming.

Deel dit artikel

Genoemde producten

Profib — BetonvezelsMeest gekozen
KrimpvezelKrimpvezel

Profib

Profib is een gefibrilleerde PP-microvezel van 12 mm tegen plastische krimpscheuren in zandcement-dekvloeren en betonvloeren. Dosering 0,6 tot 1,0 kg/m³.

  • TypePolypropyleen (gefibrilleerde tape)
  • Lengte12 mm (andere snijlengtes op aanvraag)
  • Aantal vezels per kg100.000
  • Treksterkte370 MPa
€ 5,20/ kgMeer informatie

Palletprijs op aanvraag

Promicro — Betonvezels
KrimpvezelKrimpvezel

Promicro

Synthetische PP-monofilament microvezel tegen plastische krimpscheuren. Homogene verdeling en betere oppervlaktekwaliteit bij lage dosering.

  • TypePolypropyleen monofilament (ronde doorsnede)
  • Lengte12 mm (andere snijlengtes op aanvraag)
  • Equivalente diameter32 µm
  • Lineaire dichtheid6,5 dpf
€ 4,33/ kgMeer informatie

Palletprijs op aanvraag

Vragen over uw project?

Onze technisch adviseurs denken graag met u mee.

Neem contact op